Translate

vrijdag 5 juni 2026

Is de mol dan toch ondergewaardeerd?

Bestrijding van deze beschermde diersoort is illegaal. Toch worden noeste werkers in de dop nog altijd bestreden met mollenklemmen, kapotte flessenhalzen, vergif van allerlei soorten en in het gunstigste geval met anti-molgeluiden. 

De mol wordt al generaties lang opgejaagd door de mens. Deze ondergrondse mijnwerker brengt zijn leven door in het donker. Geen vakantiedagen, geen thuiswerkregeling, geen functioneringsgesprek en geen pensioenfonds. Gewoon graven, eten, slapen en weer verder graven.

Ik las onlangs dat de mol een streng beschermde diersoort is. Dat verbaasde mij niets. Het verbaasde mij meer dat hij bescherming nodig heeft tegen een soort die zichzelf graag natuurvriendelijk noemt.

Want de liefde van de mens voor de natuur kent soms voorwaarden.

Heel veel voorwaarden.

Vooral wanneer een paar vierkante meter kaarsrecht gemaaid gras worden ontsierd door enkele bruine piramides. Molshopen noemen wij die.

En laat dat nu net gebeuren op de heilige grond van het voetbalveld.

Daar waar de bal volgens de natuurwetten nog wel mag stuiteren, maar vooral niet mag afwijken van de vooraf vastgestelde koers. Daar waar langs de lijn complete volksstammen veranderen in scheidsrechter, trainer, bondscoach, tactisch analist, gedragsdeskundige of hooligan. De voetbalwereld biedt kansen voor iedereen.

Daar waar vreugde, verdriet, gejuich, gemopper, gescheld en een verdwaalde fluim elkaar moeiteloos afwisselen.

Alles voor het kluppie. Verschijnt er op zo'n veld één molshoop, dan breekt de pleuris uit. Besturen vergaderen. Vrijwilligers slaan alarm. Zelfbenoemde deskundigen worden geraadpleegd.

Er worden scenario's besproken alsof de nationale veiligheid in gevaar is.

Ondertussen bevindt de hoofdverdachte zich dertig centimeter lager in de grond, waar hij onverstoorbaar een regenworm naar binnen werkt en geen idee heeft dat hij onderwerp is van een crisisberaad.

Het wonderlijke is dat de mol helemaal geen gras eet. Geen wortels. Geen bloemen.

Het gazon interesseert hem nauwelijks.

Hij leeft van regenwormen, engerlingen, larven en ander klein gespuis dat onder de grond rondkruipt. De tunnels vormen zijn jachtgebied. De molshopen zijn niets meer dan het puin van een dag hard werken.

Vergelijk het met een stratenmaker. Niemand verwacht dat die aan het einde van de werkdag zijn zand en stenen weer mee naar huis neemt.

Sterker nog: de mol doet nuttig werk. Zijn gegraaf verlucht de bodem en mengt verschillende grondlagen. Tuinliefhebbers kopen dure apparaten om hetzelfde effect te bereiken.

De mol doet dit alles gratis en vaker voor niets. 

Toch heeft hij een imagoprobleem. Waarschijnlijk omdat hij geen nieuws- of reclamevoorlichter heeft.

En dan is er nog iets.

Dat heilige grasveld blijkt zelden uitsluitend betaald te worden door de mensen die erop spelen. Gemeenten dragen vaak een steentje bij. Onderhoud, velden, accommodaties, verlichting; uiteindelijk betaalt de belastingbetaler ongevraagd maar wel verplicht mee.

Ook degene die nog nooit vrijwillig negentig minuten naar een voetbalwedstrijd heeft gekeken.

Voetbal is een prachtige sport. Mensen moeten vooral doen waar ze plezier aan beleven.

Maar het blijft een bijzonder systeem. Geld en salarissen van de sterren rijzen de pan uit. 

Een relatief kleine groep besluit dat een biljartlaken van gras in perfecte staat moet blijven. Een veel grotere groep betaalt eraan mee. En zodra een mol besluit een bescheiden bijdrage te leveren aan de landschapsarchitectuur, wordt hij behandeld als staatsvijand nummer één.

De belastingbetaler betaalt voor het gras. De mol betaalt met zijn reputatie.

Voetbal wordt vaak een volkssport genoemd. Soms krijg ik het vermoeden dat het meer weg heeft van een volksgeloof.

Maar de mol doet niet aan geloof. Niet aan politiek. Niet aan subsidies.

Hij graaft gewoon verder. Misschien is dat wel waarom ik sympathie voor hem heb gekregen.

De voetbalclub ontvangt subsidie. De mol ontvangt klachten.

Terwijl van die twee alleen de mol daadwerkelijk werkt voor zijn geld.

En terwijl boven de grond vergaderd, gemopperd, gesubsidieerd, geanalyseerd en soms zelfs gereld wordt, blijft de mol onverstoorbaar doen waar hij goed in is.

Een tunnel graven. Een regenworm eten.

En  vooral, zich verre houden van bestuurlijke processen.

Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik sympathie krijg voor de mol.

🌱🐾🦔





woensdag 3 juni 2026

NovaMin

NovaMin, what's in a name, n’est-ce pas

Onlangs zag ik een reclame voor tandpasta. Het is wat met die reclames: stortvloeden. Je ontkomt er niet aan. 

In woord, in beeld, op straat, op internet en waarschijnlijk binnenkort ook via wifi automatisch geïmplementeerd in je gedachtengang en looproutes.

Enfin.

Daar werd een woord uitgesproken dat klonk alsof het rechtstreeks afkomstig was uit de verre sciencefictionwereld en avonturen van de Starship Enterprise, vele lichtjaren verwijderd van de aarde.

NovaMin.

De tv-reclamestem sprak het uit met zoveel overtuiging dat ik direct het gevoel kreeg dat ik iets belangrijks had gemist.
NovaMin.

Ik had er nog nooit van gehoord. Zodra zo’n woord op televisie verschijnt, knikt iedereen alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Indoctrinatie van de bovenste plank. Het lijkt soms een beetje op politiek bedrijven. Herhalen, blijven herhalen en daarna nog eens herhalen, totdat men denkt: dat is het, dat moet het zijn, dat moet ik hebben. En zo hoort het te zijn.

Bingo.

Voor de fabrikant weer een luchtbel die langzaam maar zeker vastigheid krijgt aan land.
Vroeger poetsten we gewoon onze tanden. Klaar was Kees. Als de haren van je tandenborstel krom stonden en alle kanten op wezen, kreeg je van je moeder een nieuwe. Meer wetenschap kwam daar niet aan te pas. Met water als de tandpasta, als de tube helemaal tot de laatste drup was uitgeknepen.

NovaMin klinkt indrukwekkend. Ik heb geen idee wat het is, maar het klinkt alsof je er een ruimteschip mee kunt repareren.

En dat zie je tegenwoordig overal. Bij shampoos, wasmiddelen, gezichtscrèmes, voedingssupplementen en nog duizend andere producten die wij volgens de reclame onmogelijk kunnen missen. Steeds vaker worden we bestookt met woorden die niemand begrijpt, maar die wel direct vertrouwen moeten inboezemen.

Wat doet de fabrikant?

Die huurt een spindokter in voor het script, een acteur die vandaag dokter is, morgen tandarts, volgende week uitvinder en als het moet ook nog professor. Vervolgens gaat ergens een groep slimme koppen om een tafel zitten en net zo lang nadenken totdat er een naam uitrolt die niemand begrijpt, nauwelijks uit te spreken is en toch klinkt alsof drie professoren, een kernfysicus en een ruimtevaartingenieur er twintig jaar aan hebben gewerkt.

NovaMin?

Perfect. Zet maar op de verpakking.” Dat verkoopt als een trein.

De hele wereld lijkt steeds meer doordrongen te raken van dit soort onfeilbare verkooptrucs. Ondertussen klagen we steen en been over producten van pisbakkenstaal met een houdbaarheid tot aan de voordeur van de winkel of de bezorger van de webshop.

Soms lijken we spreekwoordelijk op schapen die zich opnieuw in het ooitje laten leggen.
Fascinerend eigenlijk.

Complete distributiecentra draaien overuren omdat deze wondermiddelen niet aan te slepen zijn. Onderzoeken naar de werking blijken vervolgens opvallend vaak afkomstig uit dezelfde hoek als waar het product vandaan komt. De reclamefolders en advertenties blazen vervolgens vrolijk verder op de loftrompet.

Resultaat: heel Nederland koopt het.

En ik blijf het fascinerend vinden hoe een volstrekt onbekend woord binnen enkele weken verandert van niets naar een onmisbaar onderdeel van het dagelijks leven.
Klinisch bewezen.

Door de fabrikant, dat dan weer wel.

Vermeld op de verpakking in letters zo klein dat je eerst een elektronenmicroscoop nodig hebt voordat je kunt lezen wat er eigenlijk staat, meestal ook nog in een taal die je niet machtig bent.

P.S.

Ze mogen me bellen.
Ik heb meer dan genoeg fantasie in mijn hoofd om nog een paar honderd van dit soort namen te verzinnen. En eerlijk gezegd zie ik me al aan zo’n marketingtafel zitten.

Waar de directeur vraagt: “Heeft iemand nog een pakkende naam?”
“Ja,” zeg ik. “Gewoon tandpasta.”

Epiloog

De tv-stem sprak het woord NovaMin uit met zoveel gezag dat je bijna zou denken dat de mensheid zonder dat spul al jaren op de rand van de afgrond balanceert en slechts door tijdige tussenkomst van een tube tandpasta van de ondergang is gered.

Hoe meer ik over NovaMin nadenk, hoe minder ik begrijp waarom het zo heet. Nova staat voor nieuw en een oplichtende ster. Min betekent minder.

Het product belooft meer, de naam eindigt op minder.
Misschien is dat precies de reden dat het zo goed verkoopt.





dinsdag 2 juni 2026

Master Hugo

 

Hugo on the Move

Gistermorgen. Het zonnetje schijnt, een tikje benauwd, maar nog net binnen de grenzen van het verantwoord buiten zijn. In de verte zie ik twee dames over de stoep wandelen. Nou ja, wandelen...

Eigenlijk zie ik twee dameskapsels die met een behoorlijke snelheid worden voortgetrokken door een lange riem. Aan de andere kant van die riem loopt Hugo. Pointman Hugo. Verkenner Hugo. Commandant Hugo.

De missie is duidelijk: naar huis.

De dames denken wellicht dat zij met de hond wandelen. Hugo denkt daar heel anders over. In zijn wereld geldt een eenvoudige regel: wie het tempo bepaalt, bepaalt de route. Dat staat ergens in het hondenwetboek, direct naast de bepalingen over lantaarnpalen en strategisch geplaatste struiken.

Hugo heeft zijn dames inmiddels uitstekend opgeleid. Linksaf, rechtsaf, rechtdoor, onverwacht stilstaan, ineens versnellen; ze volgen hem feilloos. Jarenlange training werpt zijn vruchten af.

Want Hugo wandelt niet zomaar.

Nee. Hugo inspecteert.

Waar hij loopt, markeert hij zijn aanwezigheid. Waar zijn geur hangt, daar geldt zijn gezag. Dat kan een boom zijn, een heg, een paaltje of een willekeurige grasspriet. Alles valt onder zijn jurisdictie.

Eigenlijk gaat hij niet wandelen met zijn roedel. Hij controleert zijn territorium. Dagelijks. 365 dagen per jaar.

Ongeacht regen, wind, sneeuw of de persoonlijke agenda van de dames.

Wanneer ik hem gistermorgen in mijn vizier krijg, oogt hij rustig. Kalm. Zelfverzekerd. Een bestuurder die weet dat zijn zaken op orde zijn.

Het gebied is veilig. De grenzen zijn gecontroleerd. De bevolking gedraagt zich naar behoren. Geen reden tot ingrijpen.

Alleen af en toe, als blijk van goed leiderschap, stapt Hugo in de auto van zijn dames. Niet omdat hij dat moet, maar omdat hij zijn ondergeschikten ook iets gunt.

Dan reizen ze af naar onbekende oorden. Nieuwe bossen. Nieuwe paden. Nieuwe lantaarnpalen.

Nieuwe gebieden die wachten op toezicht, inspectie en uiteindelijk onderwerping aan de grillen van één viervoetige machthebber.

En als de dag erop zit, keert hij tevreden huiswaarts.

Missie geslaagd.

Territorium veilig.

Roedel compleet.

Getekend,

Hugo the Boss. 🐾

maandag 1 juni 2026

🚵‍♀️Weer een klein fietsavontuur, de etiquette en humor


Fietsetiquette? Amehoela!

Onlangs las ik een artikel over de ongeschreven regels van de wielergroet. Een compleet wetboek blijkt te bestaan. Niet vastgelegd in de Grondwet, niet besproken in de Tweede Kamer, maar blijkbaar bloedserieus voor mannen van middelbare leeftijd in strakke lycra met een fiets die meer kost dan mijn eerste auto.

Volgens deze etiquette moet je eerst een razendsnelle analyse maken van de tegenligger. Sokhoogte correct? Groeten. Bril over de helmriempjes? Groeten. Carbon frame? Zeker groeten. Heeft de man kuiten waar een gemiddelde boomstronk jaloers op is? Dubbel groeten.

Komt er een mountainbiker aan? Dan ontstaat er een diplomatieke crisis. Wel knikken? Niet knikken? Hoort hij erbij? Is hij familie? Is hij slechts een verre neef uit het bos?

De e-biker schijnt zelfs onderaan de sociale ladder te bungelen. Alsof het een fietsvorm van kastendiscriminatie betreft. De wielrenner kijkt demonstratief de andere kant op terwijl de e-biker hem met 35 kilometer per uur fluitend voorbij rijdt. Het heeft iets weg van een man die trots weigert een lift te accepteren terwijl hij nog twintig kilometer moet lopen.

Nu begrijp ik ineens ook waarom Carla en ik zo vaak worden genegeerd. Wij dragen geen lycra. We bezitten geen racefiets en evenmin een elektrische variant. Nee, wij rijden volledig op de locomotieven van ons eigen onderstel. Met een gangetje van zo'n 15 à 16 kilometer per uur trekken wij onverstoorbaar door het landschap, dagelijks, en combineren ook nog onze inkopen met dit stalen ros.

Carla en ik proberen onze CO₂-afdruk ondertussen zo laag mogelijk te houden. Geen ingewikkelde klimaatplannen, geen rapporten of conferenties. Gewoon op de fiets stappen. Kilometer na kilometer neemt de rechtervoet afscheid van het gaspedaal en neemt plaats op het pedaal. Een bescheiden bijdrage wellicht, maar wel eentje die bovendien goed is voor lijf, leden en humeur.

Meestal bergop, zo lijkt het tenminste, en alsof dat nog niet voldoende is krijgen we er regelmatig een stevige tegenwind gratis bij. Weer of geen weer. Gratis krachttraining voor lichaam en karakter.

Wat mij steeds opvalt: hoe groter de lycra-brigade, hoe breder zij wordt. Zojuist nog mogen aanschouwen. Breeduit over de gehele weg, luidruchtig, rebels op gevorderde leeftijd, op jacht naar een laatste vleugje testosteron en de magie van het alfamannetje. Een korte kick vermoed ik. Net als andere genotsmiddelen. Het effect waait meestal sneller weg dan een gunstige rugwind.

Deze observatie geldt overigens alleen wanneer de lycra's ons tegemoet komen. Zodra ik ze in de verte zie naderen, schik ik mij gedwee achter Carla. Anders promoveert zij mij straks ook nog tot alfamannetje en dat risico wil ik niet lopen.

Soms wijk ik vanuit mijn achterste positie een fractie uit richting de middenas van het fietspad. Puur uit nieuwsgierigheid natuurlijk. Twee keer vandaag nog. Maar steevast zie ik de lycra-legioenen weer terugvallen in hun Romeinse formatie: twee naast elkaar en de rest strak daarachter. Alsof er ieder moment een veldslag met Galliërs kan uitbreken.

Nog mooier vind ik de wielrenner zonder helm. Die krijgt volgens de regels de volledige sociale doodstraf. Geen groet. Geen knikje. Geen oogcontact. Niets. Alsof hij onderweg is naar een congres van beroepswaaghalzen.

Persoonlijk houd ik het nog eenvoudiger. Ik groet niet standaard. Eerst maar eens kijken wat de tegenpartij doet. Wie mij vriendelijk groet, krijgt vrijwel altijd een vriendelijke groet terug. Een kwestie van wederkerigheid. Alleen dieren vormen daarop een uitzondering. Honden, koeien, paarden en nieuwsgierige buizerds krijgen zonder aarzeling een begroeting. Die doen tenminste niet aan status, sokhoogte of fietsetiquette. Met de ekster in de broedtijd blijft het overigens altijd uitkijken geblazen.

Het mooiste moment blijft echter wanneer je vriendelijk wordt begroet door een tegemoetkomende fietser. Dat gebeurt vaker dan de etiquette-goeroes doen vermoeden. Maar soms tref je een wielrenner die met een blik op oneindig dwars door je heen kijkt. Kaak op slot. Geen spier vertrekt. Alsof hij onderweg is naar de finale van de Tour en iedere calorie telt.

Prima hoor, kampioen.

Dan geniet ik stiekem extra van onze tocht. Want fietsen is voor Carla en mij nog altijd ontspanning. Geen toelatingsexamen voor een geheime orde van de Heilige Carbon Velg.

En zolang ik door mijn groene kijkers mag blijven turen, dient zich iedere dag opnieuw minstens een schrijvenswaardig avontuur aan. Gewoon langs een veldweggetje, op een bospad of midden op een fietspad waar de lycra-legioenen hun opwachting maken.

Enjoy moment by moment, zeggen de Fransen. N'est-ce pas? 😂

Daar zit misschien wel meer wijsheid in dan in alle fietsetiquette bij elkaar. De tocht is immers het doel. De tegenwind, de wolken, de koe in de wei, de buizerd boven het veld en zelfs de tegemoetkomende lycra-brigade. Ze maken allemaal deel uit van hetzelfde avontuur.

Fietsetiquette?

Amehoela.

Gewoon fietsen. En als het kan een beetje lachen onderweg.