Ik las onlangs dat de mol een streng beschermde diersoort is. Dat verbaasde mij niets. Het verbaasde mij meer dat hij bescherming nodig heeft tegen een soort die zichzelf graag natuurvriendelijk noemt.
Want de liefde van de mens voor de natuur kent soms voorwaarden.
Heel veel voorwaarden.
Vooral wanneer een paar vierkante meter kaarsrecht gemaaid gras worden ontsierd door enkele bruine piramides. Molshopen noemen wij die.
En laat dat nu net gebeuren op de heilige grond van het voetbalveld.
Daar waar de bal volgens de natuurwetten nog wel mag stuiteren, maar vooral niet mag afwijken van de vooraf vastgestelde koers. Daar waar langs de lijn complete volksstammen veranderen in scheidsrechter, trainer, bondscoach, tactisch analist, gedragsdeskundige of hooligan. De voetbalwereld biedt kansen voor iedereen.
Daar waar vreugde, verdriet, gejuich, gemopper, gescheld en een verdwaalde fluim elkaar moeiteloos afwisselen.
Alles voor het kluppie. Verschijnt er op zo'n veld één molshoop, dan breekt de pleuris uit. Besturen vergaderen. Vrijwilligers slaan alarm. Zelfbenoemde deskundigen worden geraadpleegd.
Er worden scenario's besproken alsof de nationale veiligheid in gevaar is.
Ondertussen bevindt de hoofdverdachte zich dertig centimeter lager in de grond, waar hij onverstoorbaar een regenworm naar binnen werkt en geen idee heeft dat hij onderwerp is van een crisisberaad.
Het wonderlijke is dat de mol helemaal geen gras eet. Geen wortels. Geen bloemen.
Het gazon interesseert hem nauwelijks.
Hij leeft van regenwormen, engerlingen, larven en ander klein gespuis dat onder de grond rondkruipt. De tunnels vormen zijn jachtgebied. De molshopen zijn niets meer dan het puin van een dag hard werken.
Vergelijk het met een stratenmaker. Niemand verwacht dat die aan het einde van de werkdag zijn zand en stenen weer mee naar huis neemt.
Sterker nog: de mol doet nuttig werk. Zijn gegraaf verlucht de bodem en mengt verschillende grondlagen. Tuinliefhebbers kopen dure apparaten om hetzelfde effect te bereiken.
De mol doet dit alles gratis en vaker voor niets.
Toch heeft hij een imagoprobleem. Waarschijnlijk omdat hij geen nieuws- of reclamevoorlichter heeft.
En dan is er nog iets.
Dat heilige grasveld blijkt zelden uitsluitend betaald te worden door de mensen die erop spelen. Gemeenten dragen vaak een steentje bij. Onderhoud, velden, accommodaties, verlichting; uiteindelijk betaalt de belastingbetaler ongevraagd maar wel verplicht mee.
Ook degene die nog nooit vrijwillig negentig minuten naar een voetbalwedstrijd heeft gekeken.
Voetbal is een prachtige sport. Mensen moeten vooral doen waar ze plezier aan beleven.
Maar het blijft een bijzonder systeem. Geld en salarissen van de sterren rijzen de pan uit.
Een relatief kleine groep besluit dat een biljartlaken van gras in perfecte staat moet blijven. Een veel grotere groep betaalt eraan mee. En zodra een mol besluit een bescheiden bijdrage te leveren aan de landschapsarchitectuur, wordt hij behandeld als staatsvijand nummer één.
De belastingbetaler betaalt voor het gras. De mol betaalt met zijn reputatie.
Voetbal wordt vaak een volkssport genoemd. Soms krijg ik het vermoeden dat het meer weg heeft van een volksgeloof.
Maar de mol doet niet aan geloof. Niet aan politiek. Niet aan subsidies.
Hij graaft gewoon verder. Misschien is dat wel waarom ik sympathie voor hem heb gekregen.
De voetbalclub ontvangt subsidie. De mol ontvangt klachten.
Terwijl van die twee alleen de mol daadwerkelijk werkt voor zijn geld.
En terwijl boven de grond vergaderd, gemopperd, gesubsidieerd, geanalyseerd en soms zelfs gereld wordt, blijft de mol onverstoorbaar doen waar hij goed in is.
Een tunnel graven. Een regenworm eten.
En vooral, zich verre houden van bestuurlijke processen.
Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik sympathie krijg voor de mol.
🌱🐾🦔



