De berm ligt stil, alsof de tijd zelf even aarzelt. Grauwgrijze takken tekenen zich scherp af tegen een bleke lucht, hard en onverbiddelijk na de winter. Tussen dat kille geraamte staan de narcissen, felgeel en onmiskenbaar aanwezig, als een breekbare poging om het zwijgen te doorbreken.
Goldie richt haar bloem naar het zwakke zonlicht dat voorzichtig doorbreekt. Het is nog geen warmte, slechts een belofte. Toch is het genoeg om iets in beweging te zetten—niet alleen in haar, maar in alles wat nog verborgen ligt.
“Wij zijn vroeg,” zegt ze zacht. “Misschien te vroeg.”
Boven haar kraakt een oude esdoorntak in de wind. Hij zwijgt, maar zijn aanwezigheid draagt gewicht. Hij heeft seizoenen zien komen en gaan, bloei en verval eindeloos herhaald zien worden. Waar de narcissen leven in het moment, draagt hij het besef van wat altijd volgt.
Onder de struiken, bijna onzichtbaar, staan de knoppen strak gespannen. Hun omhulsels trillen van ingehouden leven. Ze wachten niet uit twijfel, maar uit noodzaak. Hun tijd is nog niet gekomen.
Bennie, scheef gegroeid aan de rand, kijkt omhoog. De takken lijken dichterbij dan gisteren. Of misschien groeit alleen zijn besef.
“Denk je dat het lang duurt?” vraagt hij.
Goldie zwijgt even. Ze voelt hoe de zon sterker wordt, hoe haar bloei zich opent naar haar hoogtepunt—en tegelijk hoe dat moment al het begin van het einde in zich draagt.
“We hebben dit,” zegt ze uiteindelijk. “Alleen dit.”
Langzaam glijdt het licht over de berm. De narcissen openen zich volledig, zonder terughoudendheid. Hun kleur brandt fel tegen het grijs, een kort en intens verzet tegen de leegte om hen heen.
Maar onder de oppervlakte verandert alles. De knoppen zwellen, de takken bereiden zich voor, en in de lucht hangt een verschuiving die nog nauwelijks zichtbaar is.
De natuur wacht niet. Ze beweegt, altijd.
En terwijl de narcissen hun hoogtepunt bereiken, begint—bijna onhoorbaar—al het volgende hoofdstuk.
